H1 Begripsbepaling en uitganspunten (id&ll)

- Er bestaat een relatie tussen leeftijd en gedrag van mensen.
- De leeftijdsgrenzen waarbinnen men een kind was of een adolescent zijn veelvuldig verschoven in de geschiedenis.
- Adolescenten vormen een groep vanuit de samenhang tussen leeftijd en gedrag.
- De typering van de adolescentie als een fase van Sturm und Drang voor iedere adolescent is in deze tijd niet houdbaar. Het lijkt erop dat in onze samenleving een kleiner wordende groep jongeren (zo'n tien tot twintig procent) de adolescentie als problematisch ervaart.
- De verklaring voor het hoge percentage gelukkige scholieren in Nederland kan gezocht worden in het welvaartspeil, de relatief stabiele gezinssituatie en de vriendennetwerken. (Vollenbergh en Ter Bogt)

kenmerkende ontwikkelingen in onze maatschappij (Jan van der Ploeg en Henk Ferwerda):
- prestatiemaatschappij
- toenemend materialisme en consumisme
- tendens van individualisering
- rationele samenleving
- flexibilisering van de samenleving
- technologische samenleving


begrippen:
fase = tijd waarin mensen voorspelbare overeenkomsten in lichamelijke en geestelijke ontwikkeling vertonen.
periode = deel van een fase.
levensloop = een aantal fasen die een vaste volgorde hebben en een bepaalde onderlinge samenhang vertonen.
jeugdland = adolescentie als aparte fase van uitgestelde volwassenheid (Dasberg)
Sturm und Drang = adolescentie als fase van emotionele labiliteit, spanning en beroering voortkomend uit genetisch bepaalde biologische veranderingen aan het begin van de adolescentie. (Stanley Hall, in Adolescence)
adolescentie = de fase tussen kindertijd en volwassenheid.
puberteit = beginperiode van de adolescentiefase.
jeugdideologie = verzameling ideële opvattingen over jongeren.
ideologie = opvattingen die richting geven aan het bestaan van mensen, voor veel aanhangers van een ideologie zijn de bijbehorende opvattingen boven iedere twijfel verheven.

argumenten voor definiëring van de adolescentie als fase van twaalf tot tweeëntwintig jaar:
- deze fase verder opsplitsen, zoals lang gedaan is, in pubertijd (persoonsvorming) en adolescentie (vinden van een plek in de maatschappij) gaat voorbij aan het feit dat persoonsvorming en het vinden van een plek in de maatschappij elkaar wederzijds beïnvloeden.
- de persoonsvorming is na het zestiende jaar nog niet afgerond.

adolescentieperiodes:
1. vroege adolescentie: puberteit: lichamelijke groei en rijping, losmakingsproces
2. midden adolescentie: experimentatie
3. late adolescentie: aangaan van verplichtingen, maatschappelijk en persoonlijk

de vier hoofdthema's in de jeugdideologie:
de hoofdgedachte is dat de opvattingen die er over de jeugd zijn geweest, sterk samenhangen met de belangrijkste culturele waarden en normen uit een bepaalde tijd.
1. de jeugd bevat erg veel charisma. (religieuze wereld)
leven vanuit idealisme, wars van materiële welstand en aardse genoegens
2. de jeugd is zeer progressief. (Verlichting)
zien van de mogelijkheid van een verbeterde wereld.
3. de jeugd is non-conformistisch. (Romantiek)
door zich niet aan te passen aan de verdorvenheid van volwassenen blijft de jeugd zuiver, waarachtig.
4. de jeugd is tot sterke activiteit in staat: activisme. (geslaagde burgerij)
aanpakken, grootse daden verrichten.

de vier factoren voor het beschrijven en verklaren van adolescentengedrag:
1. de biologische factor.
de lichamelijke en psychologische veranderingen die doorgemaakt worden, maken steeds zelfstandiger functioneren mogelijk.
2. de sociale factor (omgevingsfactor).
invloeden vanuit de sociale structuur en de voor de adolescent belangrijke personen uit zijn omgeving.
3. de historische factor.
de omstandigheden waaronder je opgroeit bepalen mede je gedrag.
4. bijzonderheden uit de individuele levensgeschiedenis.
bepaalde (toevallige) gebeurtenissen kunnen ingrijpende consequenties hebben.



vragen:
- hoe verhoudt de uitkomst dat een kleiner wordende groep jongeren de adolescentie als problematisch ervaart (p.34) zich met de voorspelling van Jan van der Ploeg en Henk Ferwerda, dat hoe meer van de hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen zich gelijktijdig voltrekken, hoe groter de kans wordt dat (jeugdige) personen het tempo van de veranderingen niet meer kunnen volgen en uitvallen (p.36/37)?
-> uitvallers hoeven hun adolescentie niet als problematisch te ervaren. een uitvaller zou je kunnen zien als iemand die niet in de maatschappij past, misschien zelfs een probleemjongere is voor de maatschappij. maar tegelijkertijd kan diegene zich best gelukkig voelen met zijn positie. in sommige steden zijn er problemen met bepaalde groepen jongeren, bijvoorbeeld marrokanen, maar het blijkt dat buiten die paar steden (amsterdam, rotterdam, gouda) blanke jongeren voor de meeste problemen zorgen. meestal zijn ze ook nog van goede komaf. een recent verschijnsel is dat de nodige jongeren op straat rondhangen omdat ze het ouderlijk huis niet in mogen wanneer de ouders niet thuis zijn. ze hebben geen huissleutel. de ouders werken allebei en vertrouwen de kinderen niet alleen thuis.

- inclusive society / exclusive society (p.37)
-> inclusive society: waardering op basis van je persoon, niet op basis van je bijdrage. iedereen heeft dezelfde rechten.




H2 Identiteitsontwikkeling - kladversie


Erik Erikson - heeft zich vanuit de ontwikkelingspsychologie beziggehouden met vragen als:
- "Hoe ervaar ik mezelf als persoon?"
- "Wie ben ik voor anderen?"
- "Blijf ik dezelfde ook al verander ik?"

Het begrip persoonlijkheid is een omstreden begrip in de psychologie en filosofie. Er is geen algemeen geaccepteerde omschrijving. Er zijn verschillende opvattingen en elke opvatting werkt het begrip persoonlijkheid op een eigen manier uit:
- aan de hand van een typologie: indeling in klassen aan de hand van kenmerken als romantisch, agressief, creatief.
- aan de hand van hoeveel verschillende karaktertrekken je bezit.

de big five karaktertrekken:
- extraversie
- altruïsme
- zorgvuldigheid
- emotionele stabiliteit
- openheid voor nieuwe zaken

Een uitgangspunt van deze verschillende benaderingen is dat de persoonlijkheid min of meer stabiel is.
De theorie van Erikson leidt echter tot een visie van dynamische persoonlijkheid, een persoonlijkheid die zich in de loop van de jaren ontwikkelt.

Volgens onderzoekers verandert de persoonlijkheid van mensen na hun 30ste langzaam maar systematisch, en soms méér dan voor die leeftijd.

Persoonlijkheidsstructuur volgens Freud: Es, Ich en Über-Ich.
(ook wel Id, Ego en Super Ego genoemd)
Freud ziet persoonlijkheid als een dynamische structuur.

Es:
- motor van alle psychische processen.
- bestaat uit biologische driften zoals seksuele lust en agressie.
- werkt volgens het lustprincipe: de driften uit het Es streven constant naar bevrediging.
- de driften uit het Es zijn amoreel: als mensen enkel driftmatig hun gang zouden gaan, dan zouden ze hun behoeften bevredigen zodra deze zich voordeden, zonder rekening te houden met personen, waarden of situaties.

Über-Ich:
- bestaat uit geweten en Ich-ideaal.
- het geweten wordt in eerste instantie gevormd door de verinnerlijking van de geboden en verboden van de ouders.
- in de adolescentie verandert het geweten in een abstracter besef van goed en kwaad.
- het geweten is de innerlijke stem die voorschrijft, verbiedt en eventueel straft.
- het Ich-ideaal ontstaat door verinnerlijking van, onder andere, de bemoedigende ouders.
- het Ich-ideaal is de innerlijke stem die bemoedigt en beloont.

Ich:
- staat voor waarneming en verstand.
- reguleert impulsen uit het Es, het Über-Ich en de buitenwereld.

Afweermechanismen van het Ich:
- projectie
- verdringing
- sublimatie

Het Ich werkt volgens het realiteitsprincipe.
- het controleert het Es.
- het houdt rekening met de eisen uit het Über-Ich.
- het weert bedreigingen af.
- het verdringt pijnlijke ervaringen uit het bewustzijn.
- het stemt het gedrag af op de buitenwereld.

Alles in balans => psychisch gezond
Overheerst het Über-Ich => neurotisch gedrag (dwanggedachten, irreële angsten)
Overheerst het Es => psychose (kan zich uiten in wanen)

Erikson: de persoonlijkheidsontwikkeling in de adolescentie is de identiteitsontwikkeling.
Het begrip identiteit wordt gebruikt om aan te geven dat dingen kunnen veranderen maar toch dezelfde betekenis kunnen houden.
Het gevoel van identiteit bestaat uit het gevoel een unieke en innerlijk samenhangend persoon te zijn ondanks alle veranderingen.
Het gevoel van identiteit ontwikkelt zich in relatie tot anderen (andere identiteiten).

Vier aspecten van het gevoel van identiteit:
1. het besef van continuïteit
het gevoel dat men voor zichzelf dezelfde persoon blijft en geen speelbal van zijn omgeving is.
2. het besef van herkenning en erkenning
voor het besef van continuïteit is het erg belangrijk te weten dat iemands omgeving zijn persoonlijke levensstijl herkent en erkent.
3. het besef van vrijheid in afhankelijkheid
adolescenten moeten erachter komen wat hun eigen mogelijkheden zijn maar zeker ook wat hun beperkingen zijn.
4. het besef van een zinvolle toekomst
de adolescentie is een overgangsperiode tussen kindertijd en volwassenheid. je werkt naar je volwassenheid toe.

epigenetisch principe: alles wat groeit heeft een basisschema; alle onderdelen komen voort uit dit basisschema, ieder op zijn eigen tijd, totdat alle delen samen een goed functionerend geheel kunnen gaan vormen.
bij de ontwikkeling van de persoonlijkheid werken biologische, sociale en psychologische processen op elkaar in.

levensloopschema (schematische weergave van het epigenetisch principe) [MODEL!]:
- acht ontwikkelingsfasen met vaste volgorde
- in iedere fase komt een bepaald onderdeel van de persoonlijkheid op de voorgrond
- elke stap maakt een hoger niveau van functioneren mogelijk en wenselijk
- een ontwikkelingstaak bestaat uit het verwerven van dit nieuwe niveau
- in iedere fase moet de persoon zijn nieuwe mogelijkheden weer leren afstemmen op de mogelijkheden en grenzen uit de omgeving
- deze fasegebonden conflicten worden aan geduid met het begrip ontwikkelingscrises
- volgens Erikson zijn ontwikkelingscrises van grote waarde voor een evenwichtige ontwikkeling van de persoonlijkheid
- uit iedere crisis komt een bouwsteen voort die de identiteitsvorming ondersteunt; dit worden de vitale vermogens genoemd
- de fasen hangen samen: het resultaat op het volbrengen van een ontwikkelingstaak is mede bepalend voor de mogelijkheden die een persoon heeft om de taak in de daaropvolgende fase tot een goed einde te brengen.

De acht fasen van de levensloop:
- de eerste fase: het verwerven van vertrouwen
baby
de eerste fase levert met een gevoel van basic trust een aandeel in de identiteitsvorming.
vanuit het conflict tussen vertrouwen en wantrouwen ontwikkelt zich de vitale deugd hoop, die later van belang is voor de zingeving van het leven.
- de tweede fase: het verwerven van autonomie
peuter
het kind moet leren voldoen aan tegengestelde eisen die aan zijn gedrag gesteld worden: eigen gang gaan versus zich laten leiden; het kind heeft steun én begrenzing nodig.
in sommige culturen wordt in deze fase veel met schaamte gewerkt.
vitale deugd: wilskracht
- de derde fase: het verwerven van initiatief
4 t/m 6: kleuter
de kleuter gaat zich identificeren met rollen
het geweten wordt gevestigd
vitale deugd: doelgerichtheid
- de vierde fase: het verwerven van constructivisme of handvaardigheid
7 t/m 12: schoolkind
vaardigheid tegenover minderwaardigheid
vitale deugd: bekwaamheid
- de vijfde fase:het verwerven van het gevoel van identiteit
adolescentiefase
vorige bouwstenen samen met lichamelijk volwassen worden en het van concreet naar abstract niveau ontwikkelen van het denken, levert voor het eerst alle elementen op voor een eigen identiteit.
dit proces kan alleen maar plaatsvinden in interactie met de samenleving waar de adolescent deel van uitmaakt.
ontwikkelingscrisis: spanning tussen opbouwen en behouden van gevoel van identiteit ondanks alle veranderingen (identiteitscrisis).
vitale deugd: trouw
- de zesde fase: het verwerven van intimiteit
volwassen persoonlijkheid
intimiteit: opgaan in een ander versus isolement
vitale deugd: liefde
- de zevende fase: het verwerven van generativiteit
ouderschap, zorg hebben voor anderen
vitale deugd: zorg
- de achtste fase: het verwerven van integriteit
ouderdom
wanhoop, wrok, spijt versus aanvaarding, waardigheid
vitale deugd: wijsheid

De adolescentiefase nader bekeken:
verleden en toekomst werken door in de identiteitsvorming tijdens de adolescentie.
in het samensmeden van de verschillende elementen kunnen de volgende, in principe tijdelijke, problemen opduiken:
- foreclosure
sterk conformeren aan de eisen en verwachtingen van de omgeving; veel ontplooiingsmogelijkheden zijn voortijdig afgesloten
- moratorium
een of meerdere periodes van uitstel; nog niet toe aan volwassenheid
- identiteitsverwarring
overspoeld door ingrijpende ervaringen op meerdere gebieden
identiteitsverwarring gekoppeld aan elk van de ontwikkelingsfasen:
+ tijdsverwarring
+ verlegenheid
+ rolfixatie
+ werkverlamming
+ biseksuele verwarring
+ autoriteitsverwarring
+ verwarring van waarden
- negatieve identiteit
niet kunnen voldoen aan de eisen en dan kiezen voor het wel bereikbare maar als slecht afgeschilderde tegendeel
- kunstmatige identiteit
aansluiting zoeken bij extremistische groepering
- identity achievement
alles in balans: eigen keuzes op grond van eigen ervaring en aanvaarden van bijbehorende verantwoordelijkheid

----

Sociale omgeving en identiteitsontwikkeling (p.83)

Het verwerven van een gevoel van identiteit is eigenlijk het behouden van het besef van continuïteit, ondanks alle sociale veranderingen. Een stabiele identiteit kan zich alleen maar ontwikkelen wanneer de adolescent zich door de sociale omgeving herkend en erkend weet in zijn gevoel van continuïteit.

De identiteitsontwikkeling wordt bevorderd door:
- activering (prikkelen tot zelfstandigheid)
- bevestiging (zelfstandigheid waarderen en serieus nemen)
Oftewel laten experimenteren en laten leren van positieve en negatieve ervaringen.


De betekenis van de maatschappelijk-etnische context

Maatschappijvormen volgens David Riesman (p.84):
- op traditie gericht
stabiele maatschappijvormen waarin alle verhoudingen vastliggen. iedereen acteert vanuit zijn eigen rol en geeft die rol door aan de kinderen.
het gezin functioneert als een bevelshuishouding.
'wij-cultuur'
- op innerlijk gericht
maatschappijen die sterk in ontwikkeling zijn op grond van een collectief ideaal. posities op basis van bekwaamheid. de jeugd behoort het collectieve ideaal over te nemen.
het gezin functioneert veelal nog als bevelshuishouding, maar met meer ruimte voor meningsorming.
- op anderen afgestemd
pluriforme maatschappij. aanhangers van verschillende waarden leven naast elkaar op basis van goede afspraken en democratische procedures.
het gezin functioneert als onderhandelingshuishouden.
'ik-cultuur'

Maatschappijen functioneren volgens een bepaalde ideologie en die uitgangspunten, waarden en normen hebben gevolgen voor de identiteitsontwikkeling van jongeren.

Nederland heeft een pluriforme maatschappij. Al heeft het ideaalbeeld van een multiculturele samenleving wel wat deuken opgelopen.

Kees Kraaijeveld (p.86): hoe kunnen we een uitweg vinden uit de maatschappelijke keuze tussen absolute verscheidenheid (multicultureel) en absolute eenheid (totale integratie)?
Lifestyle maakt dat men zich ondanks grote onderlinge verschillen deel van een groter geheel kan voelen.
De drie I's die helpen balanceren tussen culturele verscheidenheid een eenheid: Identificatie, Inspraak en Inclusie.
- Identificatie met de essentiële uitgangspunten van onze maatschappij: rechtstaat, parlementaire democratie, volksvertegenwoordiging, meerderheid van stemmen, vrijheid omschreven en vastgelegd in de grondwet.
- Inspraak organiseert deelname aan de maatschappij, maakt mensen meer betrokken en kan tot meer welbevinden leiden.
- Inclusie houdt in dat bij het vormgeven van de toekomst van de samenleving niemand uitgesloten wordt.

Etnische kenmerken maken deel uit van iemands identiteit. Etnische identiteit is het besef bij een groep te horen door afstamming, geschiedenis en cultuur.
Doch iedere leerling is op de eerste plaats een persoon. Het etnisch bewustzijn verschilt van persoon tot persoon, ook binnen een bepaalde groep.
Belangstelling en respect voor de individuele en groepsgebonden beleving van etnische verschillen is uiterst belangrijk voor het gevoel van herkenning en erkenning. (p.88)

De gevolgen van migratie zijn afhankelijk van (p.89):
- de oorzaak van het vertrek (gedwongen, vrijwillig)
- mate van overeenkomst thuisland en gastland
- leeftijd
- persoonlijkheid

Graafsma en Tieken: migratie roept altijd gevoelens van angst en rouw op, verdriet om het gemis en verlies, schuldgevoel over het in de steek laten van de achterblijvers, boosheid omdat men eigelijk wil vasthouden aan dat wat werd losgelaten.
Mogelijke afweerreacties:
- geen feestdagen of verjaardagen vieren
- zichzelf straffen
- geen bindingen aan willen gaan
Extremen in de afweerreacties:
- identificatie met het gastland; alleen naar de toekomst kijken en volledig richten op integratie
- interactie vermijden; volledig toegeven aan de angst voor de nieuwe omgeving, 'veilig' isolement
- 'rente-neurose'; het gastland heeft een denkbeeldige schuld (bijv. koloniaal verleden) die moet worden ingelost, daarom hoef je geen moeite te doen

De reacties op migranten (p.91) komen uit drie invloedssferen: mede-emigranten, achterblijvers en de Nederlandse omgeving.
- bij het contact met mede-emigranten speelt de loyaliteitskwestie: als lid van een groep wordt er een bepaald gedrag van iemand verlangd.
- de controle vanuit het thuisland kan zeer sterk zijn. ook kan vanuit de achterblijvers een continu beroep gedaan worden op de migrant, zowel gewenst (steun en contact) als belemmerend (financieel of emotioneel: verraad wanneer je blijft).
- reacties uit de Nederlandse omgeving:
- 'zondebokeffect': de migranten zijn de schuld van onze ellende
- generalisatie: migrant is lid van 'zijn' groep
- beleid: inburgeringscursus, afspiegelingsgedachte
- discriminatie

Bij vele migranten kan 'condition migrante' ontstaan: de migrant gaat het bestaan in zijn nieuwe omgeving ervaren als een verblijf dat permanent tijdelijk is (alsof hij eindeloos ergens logeert).

De betekenis van het gezin (p.99)

De invloed van het gezin op de persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen is groot.
Kinderen zijn afhankelijk van hun ouders in meerdere opzichten:
- materieel
- emotioneel
- ideologisch
- gedragsmatig
Het gezin is een soort opleidingsinstituut voor de waarden en beginselen van de samenleving. Maar voor de persoonlijkheidsontwikkeling is de emotionele functie van het gezin het belangrijkst (basic trust).
Tijdens de adolescentie treden onder invloed van de zelfstandigheidsdrang van de adolescent sterke veranderingen op in de afhankelijkheidsrelatie tussen ouder en kind. Zich losmaken uit de afhankelijkheidsrelatie met de ouders is voorwaarde om een eigen identiteit te verwerven.

Drie afweermechanismen van jonge adolescenten waarmee het Ich zich beschermt tegen bedreigende toename van de seksuele drift vanuit het Es (p.101):
- ascetisme: lust vermijden
- intellectualisering: driften verbinden met ideële gedachten (bijv. alleen seks in het huwelijk).
- uniformisme: drift uiten conform regels bepaalde groep

Drie afweermechanismen ter ondersteuning van het loskomen van de ouders (p.101):
- verplaatsing: breuk met de ouders, nieuwe binding met andere volwassene of leeftijdsgenoten
- omkering: liefde wordt haat, maar emotionele band wordt niet verbroken
- betrekken van het libido op zichzelf: breuk met ouders, maar niet in staat intieme contacten buiten het gezin te realiseren, raakt erg op zichzelf, kan zich uiten in machtsfantasieën.

Afweermechanismen komen bij alle adolescenten voor, instinctief en onbewust. De persoonlijkheidsontwikkeling komt pas in gevaar wanneer ze te lang en geïsoleerd optreden.

Opvoedingsstijlen (p.104)
De opvoedingsstijl heeft invloed op het losmakingsproces en daarmee op de identiteitsontwikkeling.
De opvoedingsstijl wordt bepaald door responsiveness en demandingness.
- responsiveness: de mate waarin ouders hun opvoedingsgedrag afstemmen op de adolescent.
- demandingness: de mate waarin ouders eisen stellen aan en controle uitoefenen op het gedrag van de adolescent.
Deze twee dimensies leveren vier opvoedingsstijlen op:
- democratische opvoedingsstijl
- autoritaire opvoedingsstijl
- toegeeflijke opvoedingsstijl
- onverschillige opvoedingsstijl
De democratische stijl hangt het meest samen met de toenemende zelfstandigheid van de adolescent. Deze lijkt het meest op de 'onderhandelingshuishouding'.

De betekenis van leeftijdsgenoten (p.108)
Deel uitmaken van een leeftijdsgroep draagt bij aan de vorming van een eigen identiteit. 'peergroup' als sprake van zelfde leeftijd en sociale positie.
Het intensieve onderlinge contact tussen leeftijdgenoten heeft belangrijke functies:
- oefenen van sociale vaardigheden
- experimenteren met sociale rollen
- leren een eigen standpunt te bepalen
- ontwikkelen van zelfvertrouwen en eigenwaarde

Beïnvloeding en steun vinden het meest direct plaats in een vriendengroep. In de Nederlandse samenleving neemt vriendschap voor veel mensen de functie over van verwantschap.
Twee soorten vriendschap:
- vrienden van de weg: passeren in het leven, bij geen contact houdt de vriendschap op
-vrienden van het hart: net als familie, ze zijn er gewoon
Bij vriendschappen geldt het principe 'soort zoekt soort'. In breder verband maken vrienden deel uit van een subculturele stijl. In nog breder verband beïnvloeden leeftijdgenoten elkaar via de media.

De groepsvorming tussen de seksen verloopt in de adolescentie grofweg in vijf fasen:
1. duidelijke scheiding tussen jongens en meisjes
2. meer omgang tussen jongens en meisjes
3. overgangsfase: eerste gemengde groepen
4. gemengde vriendengroepen
5. vriendengroepen vallen uiteen in stelletjes



vragen:
- hoe zijn de gepresenteerde modellen getoetst? zijn er voorspellingen gedaan omtrent nog niet waargenomen gedrag die uitgekomen zijn. zijn er ontwikkelingsstoornissen gevonden die niet verklaard konden worden vanuit het model?
+ hoe is de Es, Über-Ich, Ich persoonlijkheidsstructuur van Freud getoetst?
+ hoe is getoetst dat psychische ontwikkeling ook het epigenetisch principe volgt?

BIT Hoofdstuk 3.3 - eind (Mario)

Piaget
Assimileren > kennis wordt opgenomen in grotere structuur; inpassen in een systeem
Accommodatie > kennis bepaald verandering in het systeem; aanpassen van het systeem

4 stadia:
Motorisch
Zelfbesef en verfijning van motorisch
Operationeel, tellen, ordenen etc
Abstract, ruimtelijk, logisch

3.3.3
Morele oordelen:
Preconventioneel niveau > heel primair
Conventioneel niveau > door ander gewaardeerd
Postconventioneel niveau > zelf bepaald (binnen grenzen)
Bevorderen door te betrekken bij beslissingen.

Voorwaarden voor moreel handelen; blz 162

Scholen moeten een grotere rol gaan spelen in de opvoeding om dat ouders niet lukt.

3.3.4
Piaget in onderwijs:
Imaginair publiek; steeds handelen alsof ze bekeken worden
Persoonlijke fabel; zich uniek vinden, en daar extreem in worden
Docent als spiegel voor de leerling
Kinderen die nog eigenschappen missen uit vorige ontwikkelingsfasen. Te snel gaan > voorkennis testen
Piaget legt relatie kind-fysieke omgeviing

3.3.5
Vygotsky: kind-sociale omgeving; rijping is te beïnvloeden.
Rijping prefrontale schors. Verbindingen van chaos naar stabiel, rest sterft af.

3.4 emotionele intelligentie
- emoties zetten aan tot gedrag
- emoties moeten opgewekt worden
- emoties leiden tot veranderingen in het lichaam
- emotie heeft relatie met cognitie

Kennen, Kiezen, Doen zijn negen elementen van Emotionele Intelligentie

3.5 Cognitieve ontwikkeling en identiteitsontwikkeling
Adolescenten ontwikkelen het besef van uniciteit en continuïteit
Zelfreflectie, zelfbeeldverheldering. Reacties uit omgeving. Leraar heeft daar invloed op.
Negatief zelfbeeld moeilijk te beïnvloeden. Lesstof in kleine stukken hakken > succeservaringen

3.6 Cognitieve ontwikkeling en leerlingbegeleiding
ABCD-schema
Gebeurtenis, Gedachte, Gevoelens, Gedrag
Rationeel/irrationele gedachten > testvragen:
Feiten,
Bereik ik zo mijn doel
Voorkom ik ongewenste gevoelens
Voorkom ik ongewenste conflicten