Constructivisme
Het onderwijs moet volgens het constructivisme zo ingericht worden dat leerlingen uitgedaagd worden om zelf structuur aan te brengen in de te leren begrippen, en de onderwerpen met elkaar in verband te brengen.mindmap_1.png Het doel is theorie te leren in de context waarin je het ook later gaat gebruiken.
Belangrijke componenten van constructivistisch leren zijn: een complexe omgeving, sociale interactie, verschillende contexten en perspectieven, baas over eigen leren en het bewustzijn van de eigen rol als leerling in het leerproces. Bekende leerpsychologen die nu geassocieerd worden met het constructivisme zijn Dewey, van Parreren, Bereiter en Simons. In dit verslag worden de ideeën van Dewey toegelicht.[1,2]

John Dewey (1859 - 1952)
Dewey zag de noodzaak om het onderwijs te veranderen. Als uitgangspunt hiervoor stelde hij dat het leven streeft naar continuïteit en dat deze continuïteit alleen kan worden gewaarborgd door constante vernieuwingen. Het leven is een zelfvernieuwend proces. Aangezien educatie een belangrijke bijdrage levert aan het sociale leven is het noodzakelijk dat het onderwijs zichzelf continu vernieuwt om aan de sociale functie te kunnen voldoen.[3]

Het kind moet actief zijn
Een goed leerproces hangt af van de houding van de leerling. Hij moet actief iets doen om de leerstof te verwerken. Lesgeven houd in dat er ervaringen met betrekking tot een onderwerp worden gedeeld. John_Dewey_lib.jpgCommunicatie is hierbij het belangrijkste middel en het is dus van belang dat leerlingen actief reageren op de kennis die wordt aangeboden. Het kind moet de nieuwe kennis zelf construeren. Dat betekent het uitdiepen en verbinden van de aangeboden kennis met de aanwezige voorkennis. In de steeds complexer wordende samenleving, wordt er volgens Dewey steeds formeler lesgegeven. Het gevaar hiervan is dat er een scheiding ontstaat tussen de associaties die een leerling met betrekking tot een onderwerp heeft uit eigen ervaring, en de ervaring die wordt opgedaan op school. De voortdurende ontwikkeling van de maatschappij kan niet plaatsvinden door directe overdracht van overtuigingen, emoties en kennis van leraar op leerling. Dit vindt plaats door actieve interactie van de leerlingen met de omgeving.


Doelgericht samenwerken
Een belangrijke vernieuwing van het lesprogramma is dat leerlingen samen bezig mogen zijn met het verwerven en verwerken van kennis en het ontwikkelen van vaardigheden. Leren is een sociaal proces, door elkaar uitleg te geven blijken de leerresultaten te verbeteren.
Een sociale omgeving bestaat uit alle activiteiten waarbij een groep mensen samenwerkt. Het is erg leerzaam om als individu deel te nemen aan een groep. Door een plaats in te nemen in een groep, stelt Dewey, keurt een individu het gemeenschappelijke doel dat wordt nagestreefd goed. Dit dient als motivatie om een bijdrage te leveren en bekend te worden met de benodigde methoden en vaardigheden. En dat wordt beloond door een gevoel van voldoening dat kan worden gedeeld met anderen in de omgeving. Het leren levert dus succeservaringen op als kinderen een (bereikbaar) doel voor ogen hebben.
Doordat de samenleving steeds complexer wordt is het noodzakelijk dat een onderwijsinstelling zo’n sociale omgeving creëert dat speciaal let op de ontwikkeling van de jeugd. Dewey betoogt als een van de eerste leerpsychologen dat de school is naast een plek voor het vergaren van kennis, ook een plek is waar jongeren zichzelf kunnen leren kennen en ontplooien. Hij omschrijft de functies van een school als sociale omgeving als volgt: het versimpelen en ordenen van de manier waarop een individu zich kan ontwikkelen, het idealiseren van de bestaande sociale gewoonten en het uitbreiden en beter balanceren van de omgeving waardoor de jeugd wordt beïnvloed.

Het leerproces zelf reguleren
Dewey geloofde dat jongeren bewust moesten zijn van hun eigen leerproces en inspraak mochten hebben op hun lesprogramma. In zijn ogen is het doel van educatie niet het verkrijgen van een voorgeselecteerd kader van vaardigheden, maar het realiseren van iemands potentiële individuele capaciteiten. Sturing kunnen geven aan het eigen leerproces werkt motiverend. Hij verwoordde dit als volgt: ‘Iemand voorbereiden op de toekomst betekent hem controle te geven over zichzelf".[4]

Balans tussen leerling en lesprogramma
In zijn boek “The Child and the Curriculum” worden twee scholen vergeleken die sterk verschillen op het gebied van de pedagogiek. De eerste hecht de meeste waarde aan het lesprogramma en de onderwerpen die worden onderwezen. Volgens Dewey heeft dit inactiviteit van leerlingen tot gevolg omdat het kader geen ruimte biedt voor individuele creativiteit. De jongere wordt hierin gezien als een kind dat moet worden opgevoed. Dewey pleit ervoor dat het onderwijs het meest effectief is als de inhoud van de les zo gepresenteerd wordt dat leerlingen de informatie kunnen koppelen aan eerder opgedane ervaringen.
Tegelijkertijd bekritiseert hij scholen waar de leerling absoluut centraal staat. Te veel afhankelijkheid op de inbreng van leerlingen zou net zo schadelijk zijn voor het onderwijs als in het vorige geval. De grote lijn van het lesprogramma moet wel door de school worden opgesteld en de docenten moeten wel boven hun leerlingen blijven staan.
Met betrekking tot deze twee situaties stelt Dewey voor dat scholen een balans moeten zien te vinden tussen de twee uiterste situaties. Zodat er zowel relevante kennis wordt overgedragen als dat er rekening wordt gehouden met de interesses en ervaringen van leerlingen.[5]

Eigen mening
Persoonlijk vind ik het natuurlijk leren een goede visie op het leerproces zolang de basis waar het uit is voortgekomen, het behaviorisme en het cognitivisme, niet uit het oog worden verloren. Het straffen en belonen van gedrag werkt nog altijd. Bijvoorbeeld bij het beoordelen van toetsen met cijfers. Een onvoldoende kan motiverend werken om je beter voor te bereiden op de volgende toets. En wat het cognitivisme betreft heeft een leerling er wel degelijk baat bij dat een gestructureerde opbouw van lesstof zoals deze door de schrijvers van het leerboek en de leraar voor de klas wordt aangedragen. Dewey zegt leerlingen controle over zichzelf moeten krijgen. Ik denk dat dit waar is maar dat het niet totale controle zou moeten zijn. De leerplicht is bijvoorbeeld een belangrijke wet om leerlingen ook daadwerkelijk naar school toe te laten komen. Wat ik verder goed vind van het constructivistisch leren is dat er veel waarde word gehecht aan het samenwerken in tijdens de les. Door lesstof in je eigen woorden uit te leggen aan een klasgenoot construeer je je eigen structuur en bovendien is samen leren gewoon leuker om te doen.

Bronnen:
1. Natuurlijk leren; Sociaal constructivisme, http://www.natuurlijkleren.org/nl_produkten.php?produkt=12.
2. Constructivisme, https://www.sharepoint.hu.nl/sites/Kijk%20op%20leerlingen%20en%20leren/.
3. Dewey, J. Democracy and Education, 1916. http://www.gutenberg.org/ebooks/852.
4. Dewey, J. My Pedagogic Creed, 1897. http://books.google.com/books
5. Dewey, J. The Child and the Curriculum, 1902. http://www.gutenberg.org/ebooks/29259.

Auteur:
Nico van der Linden